Protestantse Kerk "De Brabantse Olijfberg"
vpkb Antwerpen-Noord
Lange Winkelstraat 5, 2000 Antwerpen

Het historische Walcker orgel

Dit orgel werd  in 1905 gebouwd door de Duitse firma Walcker (Ludwigsburg). Onder het opusnummer 1190 behoort dit instrument tot één van de orgels uit de topperiode van het Walcker orgelbouwergeslacht. Hieronder legt Willem Ceuleers het uit en laat het horen..

 

In 1984 werd het instrument gerestaureerd door de orgelbouwers Kaat en Tijhuis (Kampen, Nederland). De pneumatische traktuur werd vervangen door een elektrische, de speeltafel werd verplaatst naar de rand van het oksaal, en 2 registers werden toegevoegd: de kromhoorn 8’ en de terts 1 1/3’. De speeltafel bleef ook na de elektrificering nog altijd identiek aan de speeltafel uit 1905. Recentelijk werd de oude windmachine vervangen door 2 nieuwe gedempte windturbines. Het orgel was lange tijd in onderhoud bij orgelbouwer E. De Munck (St. Niklaas). 
In verband met de hoogstnoodzakelijke vervanging van de balgjes (ca. 1.500) is de firma Adema (Hillegom) aangetrokken. In het najaar 2013 demonteerden zij de membraanlatten om de balgjes opnieuw te kunnen "beleren' met kangoeroeleer. In mei werd het orgel opgeleverd (zie en hoor hieronder). Het instrument beschikt over een zeldzaam mooi klankspectrum, dat enerzijds nauw verwant is met de kleur van de “symfonische orgels”, (type Cavaillé-Coll), maar anderzijds ook typisch Duits is. Het “zwaar uitgebouwde” pedaal heeft niet alleen z'n belang binnen het klankspectrum (Max Reger!), maar is ook typisch voor een protestants kerkorgel, dat massazang moet kunnen ondersteunen èn waar nodig sturen.

Historische achtergrond:

en dan nu muziek:

 
 
Sigfrid Karg-Elert, Dritte Sinfonische Kanzone, opus 85 nr. 3 (1910) für Orgel mit Violine und 4 Frauenstimmen obligat ("Credo in vitam venturi. Amen.") Fuge -- Kanzone -- Epilog.
U hoort Willem Ceuleers (orgel), JeongSun Goo (viool), en enkele dames van het Antwerps Collegium Musicum



Op het filmpje hoort u het begin van een orgelimprovisatie door Cees van der Poel na afloop van de oplevering van het orgel door Adema op zaterdag 17/05/2014

 

Lange tijd was dit orgel het lesinstrument voor lessen romantische orgelliteratuur van studenten van het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen. Ook voor de discipline kamermuziek zoekt het Conservatorium deze ruimte op, om organisten en andere solisten samen te laten musiceren.

Elk jaar worden door de eigen Orgelkring (“Protestantse Orgelkring De Olijfberg”) verschillende orgelconcerten georganiseerd. zie Orgelkring en Orgelagenda.

 
DISPOSITIE Walcker orgel
     
Groot orgel Reciet Pedaal
Bourdon 16’  Aoline 8’ Gedektbas 16’
Principal 8’ Voix Céleste 8’ Subbas 16’
Fluit amabile 8’ Lieblich gedekt 8’ Violinbas 16’
Dolce 8’ Salicional 8’ Violoncello 8’
Quintatön 8’ Geigenprincipal 8’ Octaafbas 8’
Viola da Gamba 8’ Roerfluit 4’ Bombarde 16’
Prestant 4’ Fugara 4’  
Fluit 4’ Piccolo 2’  
Quint 2 2/3’ Terts 1 1/3'  
Mixtuur 4R Trompet 8’  
Cornet 5R Hobo 8’  
Trompet 8’ Kromhoren 8’  
     
Speelhulpen

 

Koppel I + II
Koppels Ped + I, Ped + II
Koppels Suboctaaf  II + I, Superoctaaf  II,
Generale crescendo (met wals)
Zweltrede op reciet
Vrije combinatie, Tutti
 

klik hier voor meer info over de bouw van dit orgel 

 

Geschiedenis van de orgelbouw - 19de eeuwse orgels
In de aanloop naar de inwijding van de kerk in 1821 leverde De Gentse orgelbouwer Pieter Jan De Volder een kerkorgel met 11 registers (22 juli 1820). Het kostte fl. 1.400. De dispositie is niet bekend uit originele bronnen, maar kan gereconstrueerd worden uit het inspectieverslag (restauratievoorstel) dat Bernard Dreymann op 28 juli 1841 indiende bij het kerkbestuur. Het blijkt om een eenvoudig, klein orgel te gaan met één manuaal, met gedeeld klavier:

dispositie van het De Volder orgel (1820)

Principal 4

Octava 8 d

Grossgedact 8

Kleingedackt 4

Nassard 3

Octava 2

MIxtur 1 1/2

Trompet 8 b+d

Terts 1 3/5

Crumhorn 8 b (ledig)

Hobo 8 b (ledig)

Blijkbaar voldeed het al snel niet meer aan de eisen, want reeds in 1835 wordt er contact opgenomen met een Duitse orgelbouwer in Brussel, Joseph Schmitz, met het oog op een grondige restauratie. In het reeds genoemde verslag uit juli 1841, stelt Bernard Dreymann voor om de ledige plaatsen op de windlade te vullen met Salicional 8 en een pedaal toe te voegen met een Subbus 16 en Octavbass 8. Op 25 september 1841 doet ook de Antwerpse orgelbouwer Joseph Delhaye (1786-1845) een onderzoek naar het orgel en dient twee offertes in voor een nieuw orgel, A voor een vergelijkbaar orgel (één manuaal, 10 registers), maar wel met prestant 8 en B een orgel met 13 registers prestant 8 en Bourdon 16, incl. aangehangen pedaal.

De bestuursraad wil niet over één nacht ijs gaan, want zij wint ook nog advies in van een Rotterdamse organist, B. Tours, die drie model disposities opstuurt (Heusden, Strijen, Dordrecht - Waalse kerk). De Duitse orgelbouwer Adam Kemmerling dient op 2 november 1841 maar liefst 4 projecten in. Geen van deze projecten vindt uitvoering.

Het zal niet toevallig zijn dat Dreymann in 1841 zo actief is in Antwerpen. In 1840 had hij immers een orgel gebouwd voor de Protestantse kerk (Eglise du Musée), dat door Joseph Fétis zeer werd geprezen. In 1845 wordt de draad weer opgenomen en krijgt de reeds vermelde Bernard Dreymann de eer om een nieuw orgel te ontwerpen.

De lovende woorden voor het orgel in de Museumkerk van Joseph Fétis, samen met de aanbeveling vanwege de predikant van Brussel, ds. E. Vens (brief aan zijn Antwerpse collega, S. Spörlein), daarbij nog vermeldend dat het orgel intensief gebruikt wordt door het koninklijk Conservatorium van Brussel, zal hier wel mee te maken hebben. In 1846 bouwt dezelfde Dreymann in Brussel trouwens het grote orgel in de kerk van van Clarissen (l'Eglise Notre Dame aux Riches Claires, parochiekerk sinds 1806). Dit orgel is eind vorige eeuw vervangen door een Collon-orgel, ten dienste van het conservatorium. De dispositie van het orgel in de Protestantse Kerk van Antwerpen is niet in de bronnen terug te vinden, maar kan worden gereconstrueerd op grond van latere beschrijvingen.

Reconstructie van de oorspronkelijke dispositie van het Dreymann-orgel (1846/1905), volgens Achim Seip (gebaseerd op de notities van de orgelbouwer Reil uit 1952. De roodgekleurde registers ontbreken in een andere reconstructie (W.D. van der Kley ??). Het pijpwerk van de groengekleurde registers is nog aanwezig in het huidige orgel.

hoofdklavier nevenklavier pedaal
Bourdon 16 Flöte 8 Subbass 16 (nog aanwezig)
Prinzipal  8 (enkel b) Salicional 8 (nog aanwezig) Octavbass 8
Viola da Gamba 8 Principal 4 Violonbass 8
Grossgedackt 8 Spitzflöte 4 Octavbass 4
Quinte 6 Flageolet 2 Posaunenbass 16
Octave 4 Krummhorn 8  
Octave 2 (nog aanwezig)    
Cornett V    
Mixtur III  koppelingen: I-II, I/Pedal  
Trompete 8    

 

 

 

Dreymann heeft trouwens het De Volder orgel teruggenomen en in zijn werkplaats opgesteld. Er is correspondentie bewaard waaruit blijkt dat hij het heeft uitgebreid en aangeboden aan het hospitaal te Mainz (1848), tevergeefs.

Er is geen foto van bewaard, wel is bekend welke kast Dreymann heeft geleverd. Een reconstructie is mogelijk vanwege het feit dat tot 1952 het orgel in Hoogeveen heeft gestaan (zie onder) en er een foto is bewaard in het archief genomen in 1888 toen de kerk 'in de rouw' was vanwege het overlijden van Kaiser Wilhelm I.

 

originele foto gemanipuleerd

  

Rond 1900: De Duitse kolonie neemt het besluit tot restauratie


Rond 1900 werd de Protestantse kerk gebruikt door 3 verschillende gemeenschappen: de Franse, de Duitse en de Nederlandse. De Duitse gemeenschap was "Evangelisch", wat in het Duitsland betekent dat men een Lutherse visie heeft op de kerkdient (Mis) en de inrichting van het gebouw. Zij had het meeste geld en dus ook de meeste invloed bij de herinrichting van de kerk. Hierbij onderging het interieur verschillende ingrijpende wijzigingen:

  • er kwamen nieuwe gebrandschilderde glas-in-lood ramen
  • er werden prachtige mozaïekvloeren gelegd
  • het indrukwekkende kerkmeubilair werd geïnstalleerd
  • en tot slot werd in 1905 het machtige Walcker-orgel voltooid

Het is zeer duidelijk dat de muziek bij de herinrichting van de kerk ook een belangrijke rol gespeeld heeft: er werd achteraan in de kerk een nieuw ruim oksaal gebouwd (81 m2), dat groot genoeg moest zijn om “een groot orkest of koor” te kunnen laten plaatsnemen. Op dit oksaal moest een groot orgel komen, opgebouwd in 2 buffetten, zodat het monumentale glasraam er tussenin mooi zichtbaar bleef.



Nieuwe banken in de kerk werden voorzien van een uniek kantelmechanisme, zodat de kijkrichting eenvoudig kon gewijzigd worden naar voren (naar de 4 meter hoge eiken preekstoel) of naar achteren (naar het oksaal met orgel).

Er werden verschillende orgelbouwers aangeschreven om het nieuwe “krachtige” instrument te bouwen : Van Bever, Walcker en Schijven. Alle offertes bleven bewaard in het archief van de kerk. Speciaal te vermelden is dat dit het eerste orgel in België zou worden, dat werd uitgerust met een elekrische motor (3/4 pk) om de schepbalgen aan te drijven (mechanisme nog steeds bewaard). In functie van het windverbruik zou een regelsysteem ingrijpen op het toerental van de motor, zodat een perfecte geruisloosheid zou gegarandeerd worden (automatische terugloop tot op stilstand). Voor de plaatsing van de motor diende in de kerkmuur een nis gemaakt te worden.

Nog wel interessant om op te merken is dat de offerte verder nog bestond uit: een detailtekening op ware grootte van de speeltafel een voorblad met een prachtige lithografie van St. Cecilia aan een orgel een mooie blauwdruk van het algemeen uitzicht van buffetten, speeltafel en glasraam

Het orgel kreeg het opusnummer 1190. De 1.408 orgelpijpen werden verdeeld over 2 symmetrische buffetten in neogotische stijl, links en rechts van het monumentale glasraam. De speeltafel werd in het midden geplaatst, tussen de twee kasten en vlak voor het dikke touw van de luidklok : voor het luiden van deze klok werd gelukkig beroep gedaan op andere (bezoldigde) persoon, een “echte klokkeluider” .

Totaalprijs van het nieuwe orgel was 14.900 franken, inclusief elektrische motor. Dit bedrag werd samengebracht door (15 protestantse families. De levertermijn werd bepaald op 4 maanden, en het orgel moest speelklaar zijn op 14 april 1905, net voor het begin van de Goede Week. Deze datum werd ook gehaald:

Op Palmzondag 16 april werd het orgel plechtig ingespeeld door Willem De Latin. Uit geschriften blijkt dat De Latin, die hulpleraar was in de orgelklassen van achtereenvolgens Callaerts, De Hovre en Papen, een tijdlang als organist verbonden is geweest aan de Protestantse kerk. Voor dit Walcker-orgel componeerde hij vermoedelijk het “Plechtig Voorspel op het koraal ‘Ein feste Burg ist unser Gott”, waarvan het manuscript zich in de Antwerpse Conservatoriumbibliotheek bevindt.

Het bestaande Dreymann-orgel werd verkocht aan de Gereformeerde Kerk in het Nederlandse Hoogeveen, waar het na uitbreiding nog steeds in dienst is (zij het zodanig verbouwd dat het geen Dreymann orgel meer te noemen is, om precies te zijn: nog pijpwerk van slechts 3 registers is aanwezig). Achter deze transactie zat dhr. Hendrik Bos (Kzn.) uit Wildervank, die voor de Gereformeerde Kerk in zijn eigen woonplaats een Walcker-orgel liet bouwen (1913) en wiens legaat ook aan de basis lag van het gigantische Walckerorgel in Doesburg.

En wat na 1905 …? Tot 1911 is Walcker (met in onderaanneming orgelbouwer Geurts uit Antwerpen) bezig geweest met het op punt stellen van het orgel en de intonering. In 1919 werd de trompet van het hoofdwerk vervangen door een nieuwe trompet van moderne makelij, een vervanging al in 1910 voorgesteld door Walcker zelf, maar pas dan uitgevoerd. Dit is wel hoorbaar, want deze trompet klinkt erg luid en wat minder “rond” dan de andere oorspronkelijke tongwerken.

In 1926 vermeldt het kerkblad : “Het kerkorgel werd, dank zij eenige extra giften en het enthousiasme van den organist, met twee registers verrijkt: een Euphoon en een Kromhoorn. Mede door deze uitbreiding hadden de Concerten der Bachvereeniging meer en meer succes en worden des Zondags de kerkgangers door een steeds volmaakter spel gesticht”. Deze registers zijn hoogstwaarschijnlijk van 18e-eeuwse oorsprong (in elk geval van oudere datum dan 1905), en werden zo goed mogelijk in het Walcker-orgel geïntegreerd. Vaste organist in die periode was Jos Watelet, en dit gedurende 29 jaar.

dhr. Watelet is een bijzondere muzikant. Op jeugdige leeftijd bekeerd tot het protestantisme (onder invloed van Bach), werd hij na WO I organist van de Lange Winkelstraat. Hij stichtte o.a. samen met dhr. Verhoef de Antwerpse Bachvereeniging, bovengenoemd. Er vonden toen in de beide protestantse kerken (Lange Winkelstraat en Bexstraat-Christuskirche) zeer geregeld concerten plaats, die een vaste waarde werden in het Antwerpse muziekleven. Watelet was een pionier in de wereld van de Oude (Vlaamse) Muziek en is vandaag nog bekend vanwege zijn uitgave van de orgelwerken van A. Van Kerckhoven. Hij verwierf voor de kerk in de Lange Winkelstraat in 1937/8 een oud orgel (18e eeuws) uit 'een kapel in Leuven' met tien registers, dat op het doksaal werd geplaatst en dienst deed als begeleidingsinstrument aldaar.
Toen de V-bommen in 1945 de kerk bedreigden werden de diensten om veiligheidsredenen in de voorhal van de kerk gehouden. Watelet stelde zijn Ludovicus De Backer-kabinetorgel ter beschikking, dat dienst deed (tot groot genoegen van de kerkgangers, men spreekt van een "zeer schone en tedere klank") als begeleidingsinstrument. In 1946 wordt het kerkgebouw weer in gebruik genomen en verdwijnt dit bijzondere orgel tijdelijk uit beeld. In 1950 is het in bezit van de fam. Schilperoort, die het ter beschikking stellen van de Zeemanskapel (Centrum voor Varenden, Britse Lei 10), die op 24 september van dat jaar z'n deuren opent (ds. A. van der Walle). Sinds 1956 bevindt het zich in het Antwerpse Vleeshuismuseum, eerst in bruikleen, vanaf 1962 in eigendom. Het werd gerestaureerd door Patrick Collon.

Zeemanskerk (Centrum voor varenden) Vleeshuis (achter de Dulcken)
 

Het koororgel op het doksaal zou in 1959 verkocht zijn aan de St.- Catharinaparochie in Hoboken, maar daar was uiteindelijk geen plaats waarna het spoor dood loopt.

In 1927 werd volgens de kerkarchieven weer een oud register bijgekocht. Het zou evenwel nog enkele jaren duren, vooraleer er genoeg middelen waren om dit ook daadwerkelijk te monteren. Vermoedelijk ging het over de Cornet 5R, die nu nog steeds aanwezig is, en perfect geïntegreerd in de rest van het orgel.

In 1977 gebeurde een belangrijk nazicht door B. Peld-D’Hondt : vervanging van versleten balgjes, nazicht van de windladen en de speeltafel, kuisen van pijpen. Dit gebeurde onder bescherming van Hans De Jongh, Consul de Nederlanden, ter gelegenheid van zijn 40-jarig ambt in Antwerpen. (plaquette op de orgelkast herinnert hieraan) Het orgel werd toen plechtig ingespeeld door Stanislas Deriemaeker.

In 1984 werd aan orgelbouwers Kaat & Tijhuis (Nederland, Kampen) opdracht gegeven om de pneumatische traktuur te elektrificeren, want de loodbuizen van de pneumatische traktuur waren aangetast door de loodziekte. De electrificering omvatte zowel de toetstraktuur als de registertraktuur, inclusief speelhulpen, vrije combinatie en zweltrede. Daarbij bleef het oorspronkelijke karakter van de speeltafel identiek aan de toestand van 1905: de ingreep is dus niet zichtbaar. Wel werd de speeltafel verplaatst naar de rand van het oksaal, zodat de organist meer voeling kreeg met verloop van de liturgie in de kerk.
Het orgel kreeg ook een “grote beurt” : herstelling van de windlekken, afdichting van de hoeden, nieuwe roosters waar nodig, extra steunen voor schalbekers, egalisatie van de intonatie, … Het vernieuwde orgel werd op 16 november 1984 ingespeeld door J. A. De Wilde (die tevens als adviseur optrad voor de restauratie).

In 1997 werd de windventilator vervangen door 2 geruislozere windturbines.

In 2014-2015 werden alle 'balgjes' vervangen wegens (orgelbouw Adema).